Pingpong

Twijfel slaat zichzelf met het tafeltennisbatje over het net. Niet Zeuren staat aan de andere kant met opgeheven hoofd te wachten. “Wát nou,” lijkt hij uit de hoogte te zeggen. Hij pakt zijn batje en mept terug. Keihard. Twijfel valt met een smak achter het net neer, maar krabbelt snel op. Samen maken ze een potje van mijn gedachten. Zal ik wel? Ping. Zal ik niet? Pong. Met dank aan hun strijd kronkelen mijn gedachten om elkaar heen, zijn het oneens met elkaar, banen zich een weg naar voren, worden weer naar achteren verdreven en schreeuwen uit alle macht om aandacht. Er moet en zal naar ze geluisterd worden. Dus ga ik zitten. En probeer naar ze te luisteren. Ik verbied Twijfel en Niet Zeuren om door elkaar heen te schreeuwen. Als ze beide stil zijn, vraag ik rustig aan Twijfel wat er aan de hand is. Waarom Twijfel twijfel zaait. Ping. Ik luister naar wat Niet Zeuren zegt. Waarom hij vindt dat Twijfel zeurt. Pong. Natuurlijk zijn ze het niet met elkaar eens. Ik zucht eens diep, niet wetend wat ik met ze aanmoet. Zonder dat ik het in de gaten heb sluipen ze weg en hervatten hun strijd, waar geen eind aan lijkt te komen. Maar als ik in hun ogen kijk zie ik ze genieten. Want diep van binnen beseffen ze maar al te goed dat ze niet zonder elkaar kunnen. Wordt de één verslagen, dan heeft de ander geen bestaansrecht meer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *