Paul

Paul schreef op zijn log een stukje over zijn overleden schoonvader. Veel mensen zeiden hem na het overlijden dat het hen speet dat ze geen tijd hadden vrijgemaakt om zijn schoonvader te bezoeken.
Het stukje deed me denken aan mijn collega, ook Paul genaamd, die drie jaar geleden overleed aan kanker.
Paul had een agressieve vorm van kanker. In het begin was hij positief, we geloofden net als hij dat hij er weer bovenop zou komen. Maar toen er na een tweede onderzoek niet te genezen uitzaaiingen aan het licht kwamen, was er geen hoop meer. Hij zou binnen een paar maanden komen te overlijden.
Paul vond het vreselijk dat er iets in hem groeide dat hij niet stop kon zetten.
Hij wilde leven, zijn lichaam wilde dood.
Collega’s gingen regelmatig bij hem op bezoek.
Ik durfde niet goed. Bang voor wat ik zou aantreffen. Bang om er niet mee om te kunnen gaan.
Een collega spoorde me aan om wel te gaan, ze wist dat Paul het fijn zou vinden.
Ik ging, samen met een andere collega. We brachten bloemen mee, omdat hij daar zo van hield.
We werden opgevangen door Marie, een grote gezette vrouw met blond haar. Zij was een vriendin van Paul en zorgde die dag voor hem.
Ik had vreselijk veel respect voor haar. Ze hielp Paul met alles, hij kon niets meer alleen.
Paul’s ogen fonkelden toen hij ons zag. Hij had geen lege, wanhopige blik. Al moet hij dat wel zijn geweest.
Het voelde goed om daar te zijn, maar ik vond het moeilijk om hem te zien. Hij was altijd mollig geweest, maar nu zag hij eruit als een oud mannetje. Mager en niet meer in staat om te lopen.
In de badkamer, waar de wc zich bevond, lagen overal zwarte lichaamshaartjes. Het waren de zijne. Zijn lichaam had ze niet meer vast willen houden.
Paul wilde niet meer naar muziek luisteren. Het was te emotioneel voor hem. Terwijl muziek altijd zo belangrijk voor hem was geweest.
Lezen was te vermoeiend.
Zijn laatste weken bracht hij in stilte door op de bank, starend naar de tuin waar de bloemen bloeiden. Hij zat daar zijn tijd uit te zitten.
Mijn collega en ik wilden nog een keer langskomen, al vonden we het erg moeilijk.
Maar we kregen de kans niet. Paul overleed een paar weken na ons bezoek.
Wij gingen weliswaar een tweede keer op bezoek, maar dit keer bij zijn nieuwe thuis op de begraafplaats.
Ik kan me voorstellen dat mensen geen tijd vrijmaken om bij een ernstig ziek iemand op bezoek te gaan. Het is tenslotte niet niks om oog in oog te staan met een afgetakeld lichaam.
Het is iets waar we liever onze ogen voor sluiten en hopen dat we het nooit hoeven mee te maken.
Maar als we maar een kleine minuut stilstaan bij degene waar het om gaat, dan zouden we onze angst opzij moeten zetten en alle moed moeten verzamelen om wél langs te gaan. Mits degene in kwestie daar behoefte aan heeft.
Want vaak zijn de bezoekers nog één van de weinige pleziertjes in iemands leven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *