In de stad

Gisteravond ging ik naar een feestje. Een meisje dat ik van de vocalistenworkshop ken was 24 jaar geworden. Het feestje werd gevierd in een kroeg in het centrum van Amsterdam. Toen ik mijn voordeur opende om mijn fiets naar buiten te rijden, viel er een dronken jongen naar binnen. Hij lachte veel en had een fles whiskey in zijn hand, die hij tussen het raaskallen door aan de mond zette om er een flinke slok uit te nemen. Gelukkig was zijn vriend nog helder en zette hem tegen de muur naast mijn voordeur, zodat ik met mijn fiets naar buiten kon. “Sorry, hij is net gedumpt door zijn vriendin,” zei de vriend. Ik keek naar het tweetal. De jongen die net gedumpt was had in ieder geval nog wel lol met zichzelf. Zijn vriend probeerde hem moed in te praten, maar de dronken jongen luisterde niet. “Wil jij niet zijn nieuwe vriendinnetje zijn?” vroeg de vriend bijna wanhopig aan me terwijl hij de dronken jongen staande probeerde te houden. “Nou nee, dank je,” zei ik, “maar zuipen wil misschien wel even helpen. Maar daarna moet ‘ie het gewoon even rustig aan doen.” Mijn ervaring had gesproken en ik stapte op de fiets. Ik zei gedag en zag hoe de dronken jongen met zichzelf en de fles whiskey worstelde. Die zou het nog moeilijk krijgen. Op weg naar de kroeg werd ik door een aantal dronken mannen op de fiets aangesproken. Ik negeerde ze omdat ik geen zin had in vervelende gesprekken. Maar daardoor kreeg ik de wind van voren. Ik bleef ze negeren zodat de lol er voor hen gauw af was en ze naar een volgend slachtoffer fietsten. Toen ik in de buurt van de kroeg was aangekomen ketende ik mijn fiets vast aan de brug. Mijn flikkerlichtjes had ik bevestigd op mijn tas. Ik knipte de voorste uit en wachtte even met de achterste omdat ik wilde oversteken en moest opletten of ik niet door de veel te hard rijdende taxi’s werd overreden. Een oudere man hield me in de gaten en bleef in de buurt van mij en mijn fiets staan. “Helgrro,” hoorde ik opeens achter me. Ik negeerde de man, maar hij bleef ‘hello’ roepen met een raar accent, waardoor ik niet goed kon horen of het wel ‘hello’ was wat hij riep. Hij liep achter me langs en ging naast me staan. Ik kon hem nu niet langer negeren en keek naar hem. Hij wees naar mijn lichtje op de achterzijde van mijn tas en zei zoiets als: “Your light, out out out.” Nou vooruit, hij z’n zin. Ik knipte het achterste flikkerlichtje ook uit. “Thank you,” zei hij en glimlachte. Ik keek hem verbaasd aan. Hij liep weg en leek tevreden met zijn actie. Sommige mensen hadden het misschien echt niet kwaad bedoeld.
Ik kwam ongedeerd bij de kroeg aan waar de televisie al aanstond. Nederland tegen Tsjechië speelde. Op het feestje kende ik bijna niemand, zodat ik dankbaar gebruik maakte van het televisiescherm als ik met niemand in gesprek was. Aan het eind van de avond had ik de televisie niet meer nodig. De gesprekken kwamen vanzelf en de onbekenden werden bekenden. Toen ik wegging zoende ik meer mensen gedag dan bij binnenkomst en fietste ik terug naar huis. Het was nog steeds druk in de stad. Ik werd drie keer bijna overreden door auto’s die haast hadden. Dan helpen de simpele flikkerlichtjes niet om mezelf zichtbaar te maken. Eenmaal thuis in bed zette ik de klok een uur vooruit en dacht na over de zaterdagavond in de stad. Zou ik het nog eens aandurven om op deze avond op pad te gaan met de fiets? Misschien kon ik een volgende keer beter met de taxi gaan. Dan zou ik tenminste niet zelf overreden of lastig gevallen worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *